Vernieuwde EN 1090-2

Begin augustus is de herziening van de norm EN 1090-2 gepubliceerd. Dit is de norm die technische eisen voorschrijft voor de uitvoering van constructief staalwerk.

Toepassingsgebied

  • Warmgewalste producten mogen gebruikt worden t/m S700. Voor de herziene norm was dit S690.
  • Constructies met koudvervormde producten worden doorverwezen naar prEN 1090-4.

 

Uitvoeringsklasse

De eisen voor het bepalen van de uitvoeringsklasse (EXC) zijn niet meer opgenomen in de herziene norm.

In de herziene norm wordt voor het bepalen van de uitvoeringsklasse doorverwezen naar EN 1993-1-1:2005/A1:2014, bijlage C. 
Raadpleeg hierbij ook de nationale bijlage. 

 

Basisproducten

Wanneer er gebruik gemaakt wordt van materialen buiten de opgegeven Europese normen dienen de relevante eigenschappen vermeld te worden.

In de herziene versie word een lijst met eigenschappen weergegeven die als relevant wordt beschouwd. Daarnaast word er een garantie geëist wat betreft de lasbaarheid (indien het staal gelast wordt). In dit geval dient er één van de volgende eigenschappen van het staal bekend te zijn.

  • Classificatie conform CEN ISO/TR 15608
  • Een maximale limiet voor het CE- equivalent
  • Een voldoende gedetailleerde chemische analyse zodat het CE-equivalent berekend kan worden.

 

Inspectiedocumenten

Voor constructiestaal gelden de volgende eisen:

  • Grades > S275: 3.1-certificaat
  • S275 met gespecificeerde impacteisen bij temperaturen lager dan 0℃: 3.1-certificaat
  • Overige grades ≤ S275: 2.2-certificaat

 

Diktetolerantie

De diktetolerantie, voor alle EXC-klassen,  voor plaatmateriaal is klasse A volgens EN10029 of EN-ISO 18286.

 

Toevoegmateriaal

Er wordt niet meer aanvullend geëist dat het toevoegmateriaal ook aan de eisen uit EN 13479 moet voldoen.

 

Oppervlaktegesteldheid
Volgens de herziene norm dient de oppervlaktegesteldheid voor koolstofplaten en breedband te voldoen aan klasse A1 volgens EN 10163-2. 
Voorheen was dit klasse A2, klasse A1 is minder streng dan klasse A1 gezien deze een herstelling van het oppervlakte door lassen toelaat.

 

Thermisch snijden

Er dienen nog steeds 4 snedes onderzocht te worden, maar bijlage D geeft nu een alternatief proefstuk dat ook gebruikt mag worden. Nu wordt gesteld dat indien de randen nadien niet gelast worden de snedekwaliteit moet voldoen aan tabel 9. 

De eisen voor haaksheid zijn lager geworden voor EXC 2 en EXC 4.

 

Hardheid

Voor stalen ≥ S460 legt de norm de maximale hardheid vast op 450 HV10.

 

Aanbrengen van gaten

Het ponsproces dient jaarlijks gecontroleerd te worden. Het ponsen is toegelaten wanneer de dikte van het stuk ≤ 1,4 x D is.

 

Richten met brander

De herziene norm beschrijft dat indien richten vereist is voor stalen > S355 er een gedocumenteerde procedure ontwikkeld moet worden.
Deze procedure dient vervolgens gekwalificeerd te worden op basis van pactproeven, trekproeven en hardheidsproeven.

 

Lassen

De lijst met de toegelaten lasprocessen is vervangen door een verwijzing naar de norm EN-ISO 4063. Dit insinueert dat alle lasprocessen toegelaten worden die een lasprocesnummer gekregen hebben in de EN-ISO 4063.

Het gebruik van gekwalificeerde lasprocedures voor EXC 2 en EXC 4 blijven verplicht. 

Het gebruik van standaard lasprocedures volgens EN-ISO 15612 is nu ook voor EXC 3 en EXC 4 mogelijk, indien de uitvoeringsspecificatie dit toelaat.
De extra beperkingen voor het gebruik van EN-ISO 15612 (≤ S355) en EN-ISO 15610 (≤S275) zijn niet meer opgenomen.

Wanneer er gebruikt gemaakt wordt van een volledig gemechaniseerd lasproces voor hoeklassen met diepe penetratie dienen er 3 macrosecties (begin – midden – einde) worden gemaakt om de minimale penetratiediepte aan te tonen.

De imperfecties die in een las aanwezig zijn na het lassen op platen voorzien van een lasprimer (die voorzien zijn van de maximaal toegestane dikte) moeten volgens EN-ISO 5817, kwaliteitsnivbeau B beoordeeld worden, behalve voor porositeit. 
Voor porositeit eist de norm het volgende:

  • Geen lineaire porositeit
  • Maximaal 8% voor gewonen componenten en 4% voor componenten die onder vermoeiing belast worden.

Daarnaast moet nu ook aangetoond worden dat de primers lasbaar zijn volgens de EN-ISO 17652-serie.

In de voorgaande versie van de norm is het kwalificeren van lasprocedures met roestvast staal niet uitdrukkelijk beschreven. In de herziene versie van de norm wordt een kwalificatie volgens EN-ISO 15614-1 – behalve voor, onder andere, AISI 304 en 316 – geëist.

In de herziene versie van de norm dienenen de lassers (en operatoren) – nog steeds – voor alle EXC-klassen gekwalificeerd te zijn volgens EN ISO 9606-1 respectievelijk EN-ISO 14732.

Bedrijven die werken volgens EN-ISO 3834-4 en componenten onder EXC1-1 zijn er echter beperkingen, zie onderstaande:

  • Voor het verlengen van de lasserkwalificatie zijn toegestaan: 
    De opties 9.3a) en 9.3b) van EN-ISO 9606-1
  • Voor het verlengen van de operatorkwalificatie zijn toegestaan:
    De opties 5.3a) en 5.3b) van EN-ISO 14732

Betonstaal lassers dienen volgens EN-ISO 17660-1 of -2 gekwalificeerd te zijn.

Wanneer er aftakkingen gelast worden met een hoek <60 º – zoals omschreven in EN1993-1-8 – dient er nog steeds een specifiek proefstuk gebruikt te worden voor kwalificatie. In de herziene versie van de norm worden hier nu randvoorwaarden voor gesteld:

  • Afmetingen, lasdetails en posities moeten gelijk zijn met deze gebruikt in productie.
  • Proefstuk moet macroscopisch en visueel onderzocht worden.
  • Het aantal macro’s en de locaties voor uitname worden opgegeven.

 

Lasspatten

De eis in de herziene versie is dat lasspatten steeds verwijderd moeten worden bij staalkwaliteiten ≥460 (tenzij dit anders is gespecificeerd).

 

Ontsteekplaatsen

In de herziene versie wordt beschreven dat indien er ontsteekplaatsen aanwezig zijn er naast licht schuren en visueel onderzoek er bijkomend penetrant of magnetisch onderzoek uitgevoerd zou moeten worden voor staalkwaliteiten ≥ S460 (andere, indien gespecificeerd).

 

Lascoördinatie

In de herziene norm word duidelijk vermeld dat de lascoördinator mag optreden als keurmeester.
De lascoördinator kan dan zelf lassers, operatoren en procedures kwalificeren. Een vereiste is dat de lascoördinator voldoende kennis heeft.

 

Lasnaadvoorbereiding

In de herziene norm wordt niet meer vermeld dat er een overeenkomst moet zijn met de lasnaadvoorbereiding die gebruikt werd tijdens de kwalificatie van de lasprocedure.

De eis dat lasprimers verwijderd dienen te worden van de lasnaad en de zone ernaast geldt nu ook voor EXC 2, tenzij er via de procedurekwalificatie is aangetoond dat je op de lasprimer kan lassen.

 

Hulpmateriaal

Bij het verwijderen van hulpmateriaal bij stalen ≥ S355 dient er naast visuele inspectie bijkomend NDO uitgevoerd worden.

 

Acceptatiecriteria

  • EXC 1: Blijft klasse D. Wordt C voor onvoldoende keeldoorsnede.
  • EXC 2: Blijft klasse C. Voor overbloezing, ontsteekplaats en eindkrater geldt klasse D.
    Randinkarteling wordt klasse C. Bij onvoldoende keeldoorsnede moet klasse B gehanteerd worden.
  • EXC 3: Blijft klasse B.
  • EXC 4: Klasse B, minimaal hetzelfde als EXC 3.

B+ is niet meer opgenomen in de norm.

Indien het design volgens EN 1993-1-9 is uitgevoerd, moet de detailcategorie gespecificeerd worden samen met de daaraan gekoppelde acceptatie criteria. Voor EXC 2 tot 4 mag hiervoor gebruikgemaakt worden van bijlage C uit EN-ISO 5817, hierbij gelden de volgende regels:

  • Detailcategorie ≤ 63: kwaliteitsniveau C 63
  • Detailcategorie > 63 en ≤ 90: kwaliteitsniveau B 90
  • Detailcategorie > 90 en ≤ 125: kwaliteitsniveau B 125

 

RVS

De wijzigingen die waren doorgevoerd in de vorige versie van de norm ten aanzien van de EN 1011-3 zijn niet langer opgenomen in de herziene versie.

 

Inspectie

In het geval een defect niet aanvaardbaar is voor de norm, mag afzonderlijk worden beoordeeld of ze al dan niet hersteld moeten worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de functie van het component waarin het defect voorkomt en de kenmerken van het defect.

NDO – uitzondering visueel onderzoek – dient uitgevoerd te worden door personeel dat volgens ENISO 9712 gekwalificeerd is. Het is niet langer vereist dat de uitvoerder een level 2 kwalificatie heeft. Tabel 23 uit de norm geeft de wachttijd weer die aangehouden moet worden om aanvullend NDO uit te voeren. Afhankelijk van de gekozen methode die gebruikt werd om de voorwarmtemperatuur te bepalen zal het bovenste of het onderste deel van de tabel gehanteerd moeten worden.

De herziene norm heeft onderscheid gemaakt tussen drie soorten inspectie en testen.

  • Type testen
  • Routine inspectie en testen
  • Projectspecifieke inspectie en testen

 

De eerste vijf verbindingen die gemaakt zijn met een LMB die afgeleid is van een nieuwe LMK, zijn onderworpen aan de volgende eisen.

  • Kwaliteitsniveau B volgens EN-ISO 5817 voor gebruik van de LMB onder productieomstandigheden
  • De minimale inspectielengte bedraagt 900 mm

 

Testen

Er is 10% aanvullend NDO voorgeschreven in het geval van transversale stompe lassen (uitgezonderd T-verbindingen) in stalen ≥ S420.

De diktegrens voor transversale hoeklassen is opgetrokken van 20 mm naar 30 mm.

In het geval van non-conformiteiten, verwijst de norm naar bijlage C van ISO 17635:2016.

 

Lasschool.nl sluit uitdrukkelijk iedere aansprakelijkheid uit voor eventuele onjuistheden en/of onvolledigheid van bovenstaande gegevens.